Parasha Shelach Lecha - zend mannen uit

Parasja Sjelach Lecha – Zend mannen uit

Numeri 13:1–15:41
Haftara: Jozua 2:1–24
Brit Chadasha: Romeinen 8:31–39

In deze parasja staan de Israëlieten aan de grens van het Beloofde Land. Na de uittocht uit Egypte en de reis door de woestijn is het moment aangebroken waarop het land Kanaän eindelijk in zicht komt. Toch blijkt dat de grootste hindernis niet de vijand in het land is, maar de houding van het volk zelf.

Leven in de woestijn

Wanneer wij aan een woestijn denken, denken we vaak aan zand, hitte en droogte. In het Hebreeuws bestaan echter verschillende woorden voor woestijn, elk met hun eigen betekenis. Zo is er Arava, een kale en hete vlakte van zand en stof. Midbar verwijst eerder naar een steppegebied waar vee wordt geweid, terwijl Jesjimon een ruige wildernis van rotsen en dor landschap beschrijft.

De Sinaïwoestijn is waarschijnlijk de bekendste woestijn uit de Bijbel. Daarnaast komen we namen tegen als Etam, Sur, Paran en Sin.

Zelf heb ik in 2016 bijna een half jaar in een woestijngebied gewoond vanwege mijn werk. Toen ik het vliegtuig uitstapte, werd mijn adem letterlijk afgesneden door de hitte. Temperaturen van 42 tot 48 graden waren geen uitzondering. De eerste weken had ik voortdurend dorst en voelde ik hoe zwaar het lichaam moet werken om zich aan zulke omstandigheden aan te passen.

Toch heeft de woestijn ook iets bijzonders. Zodra de zon ondergaat en alle kunstmatige verlichting ontbreekt, ontvouwt zich een hemel vol sterren. De stilte is indrukwekkend. Mensen en dieren zijn aangepast aan de omstandigheden. Samenwerking is er essentieel. Alleen overleven is vrijwel onmogelijk; waterputten worden gezamenlijk gegraven en veiligheid wordt samen georganiseerd.

Juist in zo'n omgeving leefde Israël. Maar anders dan andere volken hoefden zij zich geen zorgen te maken over hun dagelijkse levensonderhoud. God beschermde hen met een wolkkolom die schaduw gaf tegen de verzengende zon en licht verschafte in de nacht. Water ontbrak niet en iedere ochtend lag het manna klaar. In de woestijn leerde Israël volledig afhankelijk te zijn van God.

Het land Kanaän

Het land Israël, destijds Kanaän genoemd, ligt op een uniek kruispunt tussen Europa, Azië en Afrika. Eeuwenlang trokken handelskaravanen door dit gebied. Mogelijk hangt de naam Kanaän zelfs samen met handel en koopmanschap. In oude bronnen wordt een verwant woord gebruikt voor purper, een kostbare kleurstof die verhandeld werd door zeevarende volken.

Ook geografisch is Israël bijzonder. In het zuiden vinden we woestijngebieden, terwijl in het noorden op de Hermon sneeuw kan liggen. In het westen ligt de Middellandse Zee en in het zuiden de Rode Zee. Daarnaast vormt Israël een belangrijke tussenstop voor talloze trekvogels.

Aan de grens van dit bijzondere land ontvangt Mozes een opdracht van God:

"Zend voor u mannen uit om het land Kanaän te verkennen."

Niet zomaar mannen worden gekozen. Het zijn oversten van de stammen: leiders met gezag, wijsheid en verantwoordelijkheid. Mannen wier woorden gewicht hebben binnen het volk.

De verspieders

In het Hebreeuws worden de verspieders meragliem (מרגלים) genoemd. In dat woord herkennen we het woord regel (רגל), voet. Deze mannen zouden immers te voet het land verkennen.

Hun opdracht lijkt eenvoudig, maar is in werkelijkheid zeer omvangrijk. Zij moeten niet alleen de vruchtbaarheid van het land beoordelen, maar ook de bevolking, de steden, de verdedigingswerken en de algemene situatie in kaart brengen.

Je kunt je voorstellen welke voorbereidingen daarvoor nodig waren. Hoe groot is het land? Hoeveel water moet je meenemen? Welke route volg je? Hoe verzamel je informatie zonder op te vallen? Hoe bescherm je jezelf tijdens een tocht van honderden kilometers door onbekend gebied? Het was feitelijk een uitgebreide verkenningsmissie.

Verkennen achter vijandelijke linies

Wanneer je een onbekend land binnentrekt om informatie te verzamelen, wil je niet direct herkenbaar zijn als verspieder. Mogelijk reisden deze mannen als handelaren. Een handelskaravaan kon immers relatief eenvoudig steden binnenkomen, gesprekken voeren en informatie verzamelen. Waarschijnlijk hadden zij een zorgvuldig voorbereide dekmantel. Je vertelt immers niet openlijk dat je onderzoekt hoe sterk een land is omdat jouw volk het binnenkort wil binnentrekken. Je presenteert jezelf als reiziger, handelaar of koopman die nieuwe markten zoekt.

Ook de inwoners van Kanaän zullen op hun beurt informatie hebben verzameld over Israël. Zij hadden gehoord van de uittocht uit Egypte, de doortocht door de Schelfzee en de bijzondere bescherming die het volk onderweg ontving. Voor veel Kanaänitische leiders zal Israël een onbekende maar indrukwekkende factor zijn geweest. Dit zien we later ook terug bij de twee verspieders die Jericho bezoeken. Zij komen terecht bij Rachab, die uitstekend op de hoogte blijkt van wat de inwoners over Israël hebben gehoord.

De fout van de verspieders

Na veertig dagen keren de twaalf mannen terug. Ze brengen indrukwekkende vruchten mee als bewijs van de vruchtbaarheid van het land. Hun opdracht was om verslag uit te brengen aan Mozes. Maar juist daar gaat het mis.

De informatie wordt niet eerst zorgvuldig gewogen of geanalyseerd. De verspieders delen hun bevindingen direct met de hele gemeenschap. Tien van hen leggen daarbij sterk de nadruk op de gevaren: de versterkte steden, de machtige bewoners en de reuzen die zij hebben gezien. Het gevolg is voorspelbaar. Het volk raakt ontmoedigd en ziet alleen nog de obstakels.

Jozua en Kaleb proberen het vertrouwen te herstellen. Zij hebben hetzelfde land gezien als de anderen, maar trekken een andere conclusie. Zij kijken niet alleen naar de moeilijkheden, maar ook naar Gods belofte. Toch krijgen hun woorden geen gehoor meer. Het volk raakt in paniek en wil zelfs terugkeren naar Egypte.

De kracht van informatie

De vraag die deze parasja oproept is niet alleen wat de verspieders zagen, maar vooral hoe zij met hun informatie omgingen. Hun opdracht was vertrouwelijk. Zij waren aangesteld om informatie te verzamelen ten behoeve van de leiding van het volk. In plaats daarvan verspreidden zij hun conclusies onder de hele gemeenschap. Het volk beschikte niet over alle context en kon de informatie daardoor niet op de juiste manier beoordelen. Het resultaat was angst, verdeeldheid en wantrouwen.

Jozua en Kaleb proberen nog het tij te keren, maar het moreel van het volk is inmiddels tot een dieptepunt gezakt. We zien hier hoe groot de invloed van leiders kan zijn. Eén negatief woord kan soms meer schade aanrichten dan vele positieve woorden kunnen herstellen.

Wat kunnen wij hiervan leren?

De verspieders waren geen gewone mannen. Het waren leiders. Hun woorden hadden gezag en juist daarom droegen zij een grote verantwoordelijkheid. Ook wij ontvangen dagelijks informatie. Via gesprekken, nieuwsberichten, sociale media en persoonlijke contacten komen voortdurend meningen, feiten en verhalen op ons af. Hoe gaan wij daarmee om?

Wegen wij informatie zorgvuldig? Nemen wij de tijd om zaken te onderzoeken? Of verspreiden wij alles direct verder? Gebruiken wij onze woorden om op te bouwen of om af te breken? Dat betekent niet dat we niets meer mogen zeggen. Integendeel. Maar de vraag is of onze woorden bijdragen aan groei, vertrouwen en opbouw.

De les van de verspieders is daarom nog steeds actueel. Vraag jezelf af: van wie komt de informatie, voor wie is zij bedoeld en wat gebeurt er wanneer ik deze verder vertel?

Aan het begin van deze studie zagen we dat je in de woestijn alleen niet overleeft. Samenwerking is noodzakelijk. Zo trekken ook wij als gemeenschap door de woestijn van deze wereld. Laten we daarom leren van de fout van de verspieders en onze woorden gebruiken om elkaar te versterken, op te bouwen en dichter bij God te brengen.